Jeugd
Ik ben geboren op 17 mei 1948 in Amersfoort. Over mijn jeugd heb ik geschreven in ‘De laatste handelsreiziger’. Het boek is niet autobiografisch, maar bevat wel heel veel elementen van mijn eigen jeugd. Waar zou je je als schrijver ook anders op moeten baseren? Natuurlijk is alles veranderd en in dienst gesteld van het verhaal dat ik wilde vertellen.

Mijn vader was vertegenwoordiger (handelsreiziger heette dat toen nog) en de familie van zijn kant was Joods en werd uitgemoord gedurende de tweede wereldoorlog. Hij had gevaren en bezat een prachtig oude verviltend fotoalbum met foto’s uit verre havensteden. Als hij thuis was las hij boeken over zeevaarders en zeerovers. Het zal ongetwijfeld iets hebben bijgedragen aan mijn eigen reislust. Ook mijn grootvaders waren kleurrijke figuren. De vader van mijn vader was kunstschilder, die in zijn levensonderhoud moest voorzien met het maken van reclameafbeeldingen voor herenmodezaken. De vader van mijn moeder was stokdoof en ooit machinist bij de Nederlandse Spoorwegen geweest. De CPN had zijn voorkeur en hij schreef regelmatig ingezonden brieven naar de Amersfoortse krant. Hij voorzag altijd slechte tijden en zou proberen mij een baantje als commies bij de Spoorwegen te bezorgen. Voor mijn jongere zus zag hij mogelijkheden achter het loket. Ik heb ook een jongere broer, maar ik weet niet wat mijn grootvader voor hem geschikt achtte.

Lagere school
Door toeval belandde ik op een christelijke school en daar was ik doordat mijn ouders niet gereformeerd of hervormd waren een buitenstaander. Misschien was ik dat ook zonder dat verschil in religieuze achtergrond, want ik wist al jong dat ik een schrijver was. Ik schreef in schoolschriftjes de avonturen van Kapitein Bill en als ik niet schreef, voerde ik terwijl ik aan het spelen was een continue monoloog interieur waarin ik het in de derde persoon enkelvoud over mezelf had. Ik was de held in mijn eigen levensverhaal en om daar geen twijfel over te laten bestaan schreef ik het ook nog op zodat het zwart op wit stond.

 

 

 

Middelbare school
Over de middelbare school deed ik acht jaar en zelf heb ik altijd uitgelegd dat het een hormonale kwestie was. Ik ging in competitie met autoriteiten, inclusief mijn leraren, daagde ze uit en maakte ze kwaad, en probeerde tegelijkertijd alle meisjes in mijn klas te veroveren. Ik hoefde niet met ze naar bed, maar wilde wel altijd helemaal zeker weten dat ze me leuk en geestig vonden. Over die periode heb ik niets geschreven. Het was een rommelige tijd, die ik achteraf als vervelend

beschouw. Ik slaagde voor mijn HBS B met als laagste cijfer een acht en voor Nederlands had ik een tien. Ik vertel dat niet om op te scheppen, maar om duidelijk te maken waar mijn passie lag. Opstellen schrijven vond ik het mooiste wat er was en ze leverden me veel complimenten op. Bij dat eindexamen kreeg ik als geschenk een Duits boek met een groen kaft dat ik nooit heb gelezen omdat ik als beste was geslaagd . Ik had echter niets met de Duitse taal. Dat kwam door mijn familie achtergrond. Mijn vader hield van die taal, maar tegelijkertijd vertelde hij over de familieleden die door de Duitsers vermoord waren en zijn liefde voor het Duits kon ik alleen maar als een vreemde vorm van schizofrenie interpreteren.

 

 

Studiekeuze
Na mijn middelbare school zou ik in dienst moeten, maar er waren twee mogelijkheden om daaronder uit te komen. Als ik theologie of geneeskunde zou studeren zou ik pas na mijn studietijd worden opgeroepen. Daarom ben ik medicijnen gaan studeren. Het was een bijzonder interessante studie, maar ik was niet zo gedreven om dokter te worden als mijn medestudenten. Ik vond ze zelfs een beetje belachelijk. Ik had weinig contact met mijn medestudenten en zat thuis te schrijven. In die jaren heb ik twee romans geschreven die nooit zijn uitgegeven. Ik zou haast zeggen, dat het maar goed is ook, want het zat vol jeugdige overmoed.

Studievrienden
Pas in het derde jaar van mijn studie maakte ik wat vrienden onder mijn studiegenoten. Het duurde gewoon lang voordat ik anderen gevonden had die ook met enige verbazing naar het medische wereldje keken en die moeite hadden zich te identificeren met dat opdringerige gevoel van mensen die zich zo belangrijk vinden. Met die vrienden schreef ik mijn eerste artikel in een medisch tijdschrift. Het ging over hoe moeilijk het was om je te identificeren met de klassieke artsenrol en dat we behoefte hadden aan vernieuwing, een kritische manier om met gezondheid en gezondheidszorg om te gaan. Aan het aantal ingezonden brieven dat op ons artikel kwam werd duidelijk dat onze ideeën niet erg op prijs werden gesteld. Een arts schreef: ‘Bij ons stond in de gymzaal de spreuk op de muur: bedenkt aleer ge bezig zijt en al doende denk dan nog’. Hij vond overduidelijk dat we onbezonnen bezig waren en voelde weinig voor veranderingen in de manier waarop hij werkte. Politieke visie en het realiseren van onze ideeën in de praktijk gingen hand in hand. In die vroege jaren zeventig begonnen we in Utrecht met de gezondheidswinkel. Na vele discussieavonden zaten we in het buurthuis en probeerden mensen te interesseren in een actieve rol in hun eigen gezondheid. We organiseerden vermageringsclubs, bijeenkomsten voor vrouwen in de overgang, zelfhulpgroepen en avondjes waarop mensen hun medicijnen mee mochten brengen om daarover te praten. Zelfs cursusjes ‘hoe ga ik met mijn dokter om’ zetten we op. Als ik wel eens de folders die we stencilden rond bracht en de mensen gezellig naar de voetbalwedstrijden van Ajax zag kijken, was ik een beetje jaloers. Misschien kwam het daardoor wel dat ik steeds meer na begon te denken over effectievere manieren om met mensen te communiceren over gezondheid en gezondheidszorg. Schrijven leek me meer iets voor mij. Ik heb echter wel extreem veel geleerd van die ervaringen met de gezondheidswinkel.

Mijn vrouw
De belangrijkste datum in mijn leven was 30 januari 1971. Ik ontmoette Marion Bloem, mijn echtgenote, en we besloten om samen te reizen en te schrijven. Als andere mensen zoiets opschrijven vind ik dat onmiddellijk klef. Omdat ik echter een kort cv moet schrijven en dat eerlijk wil doen, zit er niets anders op dan te erkennen dat het mijn leven drastisch en in positieve zin veranderde. We stimuleerden elkaar en daagden elkaar uit onze dagdromen waar te maken. Voor ik haar leerde kennen was het simpel om te zeggen dat ik schrijver was, kritisch arts zou worden en wilde reizen. Om haar in me te kunnen laten geloven wilde ik het ook realiseren. Ik zou absoluut niet degene zijn die ik nu ben, als ik haar niet was tegen gekomen. Op allerlei manieren komt Marion in mijn werk voor, maar meestal niet op de plaatsen waar recensenten haar menen te herkennen. Zo is ze niet de liefste, mijn liefste in de gelijknamige roman. Als ik over haar schreef noemde ik haar gewoon meestal bij haar naam, zoals in ‘Op zoek naar het paradijs’ en ‘Gekleurd Nederland’. We bedachten allerlei projecten samen. Zo schreven we samen een kinderboek, waarbij Marion de tekst maakte en ik de illustraties verzorgde. Het werd nooit uitgegeven, maar het zorgde wel voor contact met een uitgever die in Marion’s kwaliteiten geïnteresseerd was en voor wie ze een aantal kinderboekjes schreef.

Mijn zoon
Op 11 februari 1973 werd onze zoon Kaja geboren. Ik studeerde toen nog en het hebben van een kind maakte nog meer een outsider van me dan ik al was. Marion heeft in een verhaal in ‘Voor altijd moeder’ beschreven wat er gebeurde tussen mij en de studiegenoten, waarvan ik dacht dat ze vrienden voor eeuwig waren. Ik hoef dat dus niet meer te doen en heb er ook geen zin in, want ik denk nooit met plezier aan die tijd terug. Een kind hebben maakt een compleet mens van je en zoals dat gebruikelijk is in vader zoon relaties, heb ik meer van hem geleerd dan hij van mij.

Theater
Op verzoek van Amnesty International maakten Marion en ik in 1975 een toneelstuk over tien jaar politieke gevangenen in Indonesië. Shireen Strooker hielp ons daarbij. We speelden dertig voorstellingen overal in het land.

Later toen het werkteater een toneelstuk wilde maken over sterven in het ziekenhuis vroeg Shireen me om hulp en ik las het verhaal ‘Onteigening’ voor. Ik had het gedurende het laatste jaar van mijn studie geschreven en het was nog niet uitgegeven. Het verhaal staat in ‘Een eindje meelopen’ en gaat over een oude man die in het ziekenhuis ligt met een ernstige ziekte en bij wie de familie en de artsen weglopen omdat ze het moeilijk vinden om met hem te praten. Uit die eerste samenwerking met het werkteater ontwikkelde zich een situatie waarin ik twee jaar lang in het stuk ‘Als de dood’ mee speelde. Dat toneelstuk vormde later een onderdeel van de film ‘Opname’ waarmee het werkteater in Venetië een gouden leeuw won. In dat toneelstuk deden ook Shireen Strokker, Hans Man in het Veld, Gerard Thoolen, Jolande Bertsch, Olga Zuiderhoek en Cas Enklaar mee. Het was een turbulente periode. Ik was in 1975 afgestudeerd en volgde de huisartsopleiding waarbij ik in een Utrechtse praktijk werkte overdag en ‘s avonds met de bus naar theaters ging om het toneelstuk op te voeren. Daarnaast begon ik in 1976 ook met schrijven in de Volkskrant.

De Volkskrant
Aan de redactie van de Volkskrant had ik een brief geschreven waarin ik aanbood een serie columns te schrijven over geneesmiddelen. Ik hoefde er geen geld voor en was al blij met een gratis abonnement op de krant. Ik stuurde wat voorbeelden mee. Vrij snel reageerde de redactie en het is een van de meest beslissende momenten in mijn schrijfcarrière geweest. Ten eerste werd mij ineens definitief een mogelijkheid geboden regelmatig te publiceren, maar het was juist in de richting van het schrijven over medische onderwerpen, terwijl ik eigenlijk altijd vooral bezig geweest was met het schrijven van fictie en daar mijn hart aan had verloren. Ten tweede zorgde het voor een zekere bekendheid die me hielp een aantal van mijn doelen te bereiken. Het verliep allemaal stormachtig en niemand kan je voorbereiden op een plotselinge golf van populariteit, bewondering, afgunst, ergernis en soms zelfs haat. Ik was achtentwintig toen het allemaal begon en ik vraag me af of er mensen zijn die met zoiets goed om kunnen gaan. Zo had ik mij onder andere bedacht dat ik wel af en toe geïnterviewd wilde worden, maar dan alleen op voorwaarde dat er geen foto bij het artikel werd geplaatst. Het leek me goed ter bescherming van mijn privé-leven. Dat heb ik twee jaar volgehouden. Bij een interview in Vrij Nederland onder de titel ‘Nederlands populairste huisarts’ werd voor de eerste keer een foto geplaatst. De enige manier om te voorkomen dat ik in het ‘bekende Nederlander’ circus zou worden verzwolgen was ervan weg te lopen. Ik heb verreweg de meeste aanbiedingen om op televisie geïnterviewd te worden afgeslagen en heb ook het voorstel van de VARA geweigerd om een gezondheidsmagazine op de televisie te presenteren.

 

Wat ik tussen 1975 en 1979 schreef


Tussen 1975 en 1979 heb ik vreselijk veel geschreven. Verschillende series in de Volkskrant en Vrij Nederland, boeken en artikelen in tijdschriften. Het was een erg productieve periode in mijn leven, maar het was veel te veel. De mensen die het allemaal moesten lezen konden het niet aan, Marion wilde me ook wel eens wat meer zien en ik begreep dat ik keuzen moest maken. Nu is dat niet mijn sterkste kant. Nog steeds niet. Uit die periode stammen de verzamelde columns in de Volkskrant: ‘Medicijnstrip’, ‘Een eindje meelopen’ dat geschreven werd omdat mijn vader in 1977 overleed en omdat ik door het spelen van ‘Als de dood’ met het werkteater zoveel input kreeg van het publiek, ‘Kanker’ (het was een soort consequentie van het schrijven van ‘Een eindje meelopen’: als je eerlijk wilt zijn, moet je ook ver durven gaan) en ‘Verslaving’. Ook de kindercolumns uit Vrij Nederland werden gebundeld: ‘Doktertje spelen’ en ‘Vies is lekker’. Daarnaast schreef ik ‘Medicijnen’, ‘Patiëntenboek’ en ‘Zelfhulpgroepen’. Met Marion schreef ik ‘Hyperventilatie’. Waar ik de tijd vandaan haalde weet ik niet meer.

Reizen
Wat in 1977 al begonnen was met een eerste reis van een paar maanden naar Indonesië werd steeds meer een onderdeel van ons leven. Marion, Kaja en ik waren altijd op reis. Het was onderdeel van de vlucht uit Nederland, weg van alle publiciteit, waar ik niet goed mee om wist te gaan. Onderweg gaven we Kaja les. Marion leerde hem rekenen en deed dictees met hem. Ik vertelde verhalen over aardrijkskunde, geschiedenis en biologie die ik ‘s avonds voor hem opschreef. Veel van wat ik toen schreef heb ik later gebruikt. In ieder geval is ‘De laatste handelsreiziger’ mede het resultaat van mijn pogingen om aan Kaja te vertellen over mijn vader, die in 1977 was overleden en die ik miste. Sinds die tijd lijkt mijn leven een eeuwige reis waarin de landen alleen nog maar het decor zijn voor mijn avonturen, die ik beleven moet om erover te schrijven. Ik zie Indonesië, Nepal, Thailand, Bangladesh, Sri Lanka, India, de Filippijnen, de Verenigde Staten, Guatemala, Honduras, Nicaragua, Costa Rica, Panama, Colombia, Ecuador, Peru, Marokko, China, Japan, Egypte, Zambia, Ghana, Mozambique, Benin, Zuid Afrika, Zimbabwe, Kenia, Tanzania, Vietnam, Cambodja, Birma, Brazilië, Curaçao, Australië, Nieuw Zeeland voorbij trekken. Sommige landen bezochten we aanvankelijk omdat we geïnteresseerd waren en nieuwsgierig, maar al snel werd het mijn werk omdat ik erover schreef en ik gevraagd werd voor consultancies. Beslissend in die tijd was het verzoek van Zafrullah Chowdurhy om in Bangladesh te komen werken in zijn project Gonoshasthaya Kendra. Ik ben er daarna nog vele malen geweest. Als ik ergens iets geleerd heb over gezondheid en de relatie tussen ziekte en armoede, dan is het daar wel.

Medische antropologie
Toen ik in Leiden vroeg of ik daar antropologie kon studeren omdat mij boeide hoe mensen met hun gezondheid omgaan, bleek dat men daar in de cursus medische sociologie een aantal van mijn teksten gebruikte en ik werd gevraagd of ik niet liever wilde promoveren. ‘Je krijgt wel wat boeken over antropologie mee om te lezen, dan hoef je dat niet helemaal te studeren,” kreeg ik te horen en ik moet er nog altijd om lachen, want ik kreeg wel erg veel te lezen. In 1983 en 1984 deed ik mijn onderzoek in Sri Lanka, juist in een van de roerigste jaren in de geschiedenis van het land. Tamils werden vervolgd en uitgemoord en besloten zich daartegen te verzetten en verklaarden zich onafhankelijk van de rest van Sri Lanka. Dat ik toch materiaal heb weten te verzamelen voor mijn proefschrift is op zich een wonder, want wie ik ook interviewde, men wilde overal eerst uitgebreid over de politieke situatie praten. In 1987 promoveerde ik met een proefschrift over veranderende medische tradities in Sri Lanka.

Film en televisie
Marion was begonnen met filmen. Aan een paar van haar films had ik iets kleins bijgedragen (‘Nieuwsgierig’ en ‘Aanraken’ uitgezonden door het IKON) en aan haar film ‘Het land van mijn ouders’ had ik aan het script meegeschreven. In 1984 maakten Marion en ik samen de documentaire ‘Wij komen als vrienden‘ in Indonesië. De film gaat over vijf Nederlandse mannen die ten tijde van de politionele acties overliepen naar de Indonesische kant. Een van de geïnterviewden was Poncke Princen. Het ging ons niet zozeer alleen maar om de geschiedenis van die mensen, maar om het feit dat ze dat op een of andere manier misschien vanuit gewetensnood of politieke ideologie gedaan hadden en hoe ze daar in al die jaren sindsdien mee om waren gegaan. Het was eigenlijk een zelfonderzoek: wat doe je met je idealen? Theo van der Sande deed de camera, Kaja (elf jaar) was klusjesjongen (best boy heet dat in filmtermen) en de productie ter plaatse deed ik, omdat ik in de loop der jaren goed Indonesisch had leren spreken. We hadden geen toestemming die film te maken en moesten de militaire politie op het vliegveld Halim omkopen om cameraman met camera en vijftig blikken film het land binnen te brengen. Het verbijsterde me hoe goedkoop, simpel en vanzelfsprekend het was.

 

 

 

 

 

 

Indonesië in mijn romans
Indonesië speelt een belangrijke rol in mijn romans. Dat is een klein beetje het geval in ‘De laatste handelsreiziger’, waarin de hoofdpersoon voelt dat zijn vader overleden is, als hij op Bali het lijk van een verdronken zwemmer aan ziet spoelen en daarmee sterft hij zelf ook een beetje. In de eerstvolgende boeken komt Indonesië echter voor zonder dat het met name zo genoemd wordt. ‘Het zout van de dode zee’ en ‘Het laatste eiland’ zijn gesitueerd in een land in Oost Azië waar de bewoners Indonesisch spreken. Tussen die twee romans verscheen ‘De vier rivieren uit het paradijs’, een verhaal dat zich in Amsterdam afspeelt. De drie romans vormen samen een cyclus, die aangevuld wordt met het boek ‘Op zoek naar het paradijs’, dat gezien moet worden als het zichtbaar maken van de bronnen die me voor die boeken inspireerden. Daarna, in de jaren negentig schreef ik drie romans (‘Liefste mijn liefste’, ‘Het gevangen beeld’ en ‘De verliefde waria’) die onverbloemd mijn passie voor Indonesië laten zien. In 2009 zijn drie van mijn Indonesië-romans samen in één bundel verschenen bij uitgeverij Nieuw Amsterdam onder de naam Smaragd.

 

 

 

 

 

Kinderboeken
Tientallen keren in mijn leven heb ik gedacht dat ik eindelijk eens een keuze moest maken ten aanzien van wat ik nu precies wil, dat ik me op een enkel ding moet richten en alle andere werkzaamheden laten voor wat ze zijn, maar dan voelde ik mijn vingers weer jeuken om met iets nieuws te beginnen en onbekend terrein te verkennen. Ik moest me erin verdiepen en nadenken over vormen om over te dragen wat ik bedacht had.

De verhalen voor kinderen kwamen gewoon vanzelf. Op de eerste plaats omdat ik zelf een zoon had.
Voor kinderen schreef ik graag en natuurlijk schreef ik eigenlijk alles voor Kaja. Toen ik ‘De eerste van Wouter’ schreef, een boek over roken, deed ik dat omdat ik voelde dat Kaja af en toe buitenshuis rookte. Ik wilde niet een of ander belerend gesprek met hem voeren, maar iets schrijven dat hij kon lezen en waarover hij een gesprek zou kunnen beginnen als hij daar zin in had. De namen van de hoofdpersonen voor die boeken leende ik van zijn vriendjes. Ter gelegenheid van de grote tentoonstelling over gezondheid in het jaar 2000 in het Museon in Den Haag schreef ik het boek ‘Dokter Levertraan, Doc Silver en Reinoud’. En toen ik goed begreep wat een ravage aids kan aanrichten onder jonge mensen wilde ik daarover schrijven om een boek ergens in Kaja’s kamer achter te kunnen laten. Het was de serie ‘Een eenvoudige cursus voor beginners in de liefde’, die eerst in Vrij Nederland verscheen, daarna als boek succesrijk was, me mijn eerste prijs voor m’n werk opleverde – de Mary Zeldenrustprijs – en die Marion en ik later ook nog in een script voor een televisieserie omzetten. Toen Kaja al lang geen behoefte meer had om mijn jeugdboeken te lezen ging ik toch door met het schrijven voor kinderen, want het was fantastisch om te doen.

Televisiescripts
Tussen 1984 en 1988 schreef ik twee keer scenario’s voor televisieseries. Dokter Krankenstein was een achtdelige serie die de VPRO uitzond en de serie ‘Cursus voor beginners in de liefde’ bestond uit dertien delen. Ik vond het schrijven van scripts uitdagend en merkte dat het veel beter verdiende dan het schrijven van boeken. Boeken schrijf je geloof ik alleen als je een gepassioneerd mens bent, iemand die niet om geld geeft. Ik wilde, hoe dan ook, schrijven, want ik kon mezelf niet zien als iets anders dan schrijver. Dat was ook wat al die verschillende activiteiten bijeen hield.

 

 

 

 

Hoogleraar
In 1989 werd ik benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam met als leerstoel ‘Gezondheidszorg in ontwikkelingslanden’. Het maakte het nog moeilijker om een goede balans te vinden tussen het schrijven van romans en non-fictie werk. Het werk aan de universiteit bleek al snel veel meer in te houden dan ik verwacht had en de uitdagingen die het me bood negeerde ik niet. Het buitengewoon hoogleraarschap werd na vijf jaar omgezet in een gewoon hoogleraarschap en ik was vanaf dat moment hoogleraar Gezondheidszorg en Cultuur. Het aantal medewerkers nam toe, net als het aantal taken.
Ik werd lid van de Raad voor advies over Onderzoek en Ontwikkeling (RAWOO) en met dat adviseurschap hingen allerlei werkzaamheden samen. Later werd ik ook lid van de Commissie Ontwikkelingssamenwerking (COS) van het AIV (Adviesraad Internationale Vraagstukken). In het onderwijs richt de groep waar ik leiding aan geef (Gezondheidszorg en Cultuur) zich op onderwijs over gezondheidszorg in ontwikkelingslanden met nadruk op de context van armoede en in de tweede plaats op de toegang van allochtone patiënten tot de Nederlandse zorg. Dat laatste wordt elke dag belangrijker.

 

 

 

 

 

 

Onderzoek
Ik vind dat onderzoek geen middel mag zijn om van buitenaf iets te bestuderen en er vervolgens meer controle op te krijgen, maar dat het een manier moet zijn om van binnenuit de omstandigheden van mensen te verbeteren. Het heeft niet zoveel zin dat een onderzoeker ontdekt dat prostituees geen condooms gebruiken omdat het op den duur pijn doet, maar het is belangrijk dat die prostituees zelf ontdekken waarom ze dingen doen en wat ze zouden kunnen veranderen om hun positie te verbeteren. Onderzoek voor en door de mensen zelf, daar geloof ik in.
Door het vele reizen en het werk in met name Zuidoost Azië had ik een netwerk van contacten en in 1990 toen de aids epidemie net de kop begon op te steken in dat deel van de wereld, gingen we met een aantal groepen in Bangkok bij elkaar zitten om te bespreken wat belangrijke ontwikkelingen zouden zijn als de epidemie werkelijk toe zou slaan (een verslag daarvan is te vinden in ‘AIDS en PHC’). Als een van de belangrijkste regionale thema’s kwam aids en mobiliteit naar voren. In samenwerking met Irene Fernandez is geleidelijk het netwerk CARAM ontstaan. Als ik trots op iets uit mijn wetenschappelijk werk ben, dan is het wel op wat we met CARAM voor elkaar hebben gekregen.
Een andere activiteit was de ontwikkeling van het netwerk ‘Research 4 Sex Work’ dat voortkwam uit onze betrokkenheid in een groot onderzoek in Indonesië onder prostituees. Op die ervaringen is mijn roman ‘De verliefde Waria’ mede gebaseerd.
Een derde poot van het onderzoek waarbij ik betrokken ben is het Ghanees-Nederlandse Onderzoeksprogramma. Het begon als een initiatief van de RAWOO waar ik lid van was. Ik kreeg de kans om drie landen te bezoeken om te inventariseren in welk land het beste een experimenteel programma opgezet zou kunnen worden, waarbij de vragen in dat land geformuleerd zouden worden door onderzoekers, beleidsmakers en mensen in de dorpen. Op basis van die vragen zou dan onderzoekssamenwerking tussen Ghanezen en Nederlanders plaats kunnen vinden. Daarbij ligt dan niet de nadruk op de ouderwetse rolverdeling van de Nederlandse onderzoeker die naar Ghana gaat om uit te leggen hoe het allemaal moet, maar op echt delen van informatie en samen onderzoeken hoe het opgelost zou kunnen worden.

Romans in de jaren negentig
Ik voelde me steeds ongelukkiger worden als ik altijd maar op reis was en werk deed waarin ik geleidelijk gerold was, maar dat nooit tot mijn dromen van vroeger behoorde. Ik voelde me in de eerste plaats schrijver en als ik geen romans schreef, was ik niet gelukkig. Ik heb noodgedwongen mijn manier van schrijven moeten veranderen. Het werden dagelijkse aantekeningen in mijn dagboek rond een thema dat me fascineerde en vervolgens was het de kunst om ergens een paar weken te stelen om het uit te werken. Dan verdween het verhaal een half jaar uit mijn aandacht omdat er zoveel ander werk te doen was. En ineens nam ik het manuscript mee naar Vietnam of Ghana waar ik moest werken en schreef ik in de avonduren aan een volgende versie.
‘Liefste mijn liefste’ is verreweg mijn succesvolste roman geweest (drie drukken en meer dan 10.000 exemplaren verkocht). Hij beschrijft Indonesië zoals het in de jaren tachtig was onder Suharto: corruptie, politieke willekeur, een exploderende economie en de sensualiteit die het land altijd had en heeft.
In ‘Het gevangen beeld’ zit een lang stuk over Indonesië. Het gaat daarbij om Bali met name en het tekent een decadent eiland waar rijke buitenlanders en Jakartanen zich samen vermaken.
‘De verliefde waria’ speelt in Surabaya en laat het Indonesië van de jaren negentig zien. Economisch is het een factor van betekenis geworden. Mensen waren buitengewoon rijk. Suharto was nog aan de macht, maar gewone mensen hebben het nog steeds beroerd. Het verzet wordt steeds groter. Je voelt als het ware de reformasie eraan komen. Zelf zou ik ook nog een roman willen schrijven over Indonesië na de reformasie, maar ik weet niet of ik daar de tijd nog voor heb.

Wat ik wel en niet moet schrijven
Doordat mijn leven steeds drukker werd was het belangrijker keuzen te maken. Ik kon het gewoon niet goed. Ik ben nieuwsgierig, wil alles weten en wil als een jongen kunnen geloven dat alles nog mogelijk is. Het betekende dat ik de keuzen uit de weg ging en ik liet me leiden door de gebeurtenissen. Dat ik ondanks de vreselijke drukte die romans ben blijven schrijven toont hoe veel ik daarvan hou en hoe belangrijk het voor mezelf is. Daarnaast moest ik aan mijn boek ‘Medicijnen’ blijven werken. Elke twee jaar moest er een nieuwe uitgave komen. Daarvoor moest ik heel wat lezen. Voor mijn wetenschappelijke werk moest ik regelmatig publiceren, maar dat was in het Engels. In wezen was er dus geen tijd meer voor andere boeken. Op verzoek van mijn uitgever schreef ik ‘Verlossing op recept’ en ik schreef ‘Bewegen is leven’, een opdracht voor de Nationale Wetenschapsweek. In de jaren tachtig had ik in samenwerking met de Consumentenbond vier boeken geschreven over respectievelijk rugklachten, hart en hoge bloeddruk, slaapklachten en spanning en allergie en overgevoeligheid. Die boeken bleven herdrukt worden en ik heb ze wel eens bijgewerkt.

Internet
Internet heb ik tegelijkertijd met miljoenen andere mensen ontdekt. Ik had een enorme hoeveelheid materiaal dat ideaal via Internet gedistribueerd zou kunnen worden. Ik heb allerlei initiatieven genomen om het beschikbaar te maken voor het publiek. Dat betekent echter een behoorlijke investering en die kon ik zelf niet doen.

Mijn boek ‘Medicijnen’ was sinds 2002 via het Internet toegankelijk, maar gelukkig bleef de gewone boekversie ook beschikbaar. Ook werkte ik aan veel andere internetprojecten onder andere aan het toegankelijk maken via het Internet van mijn boek ‘Je lichaam, je leven’.
Mijn eerste website, gemaakt door Olaf de Baar was natuurlijk ook een manier om mijn werk voor gebruikers toegankelijk te maken. De site was schitterend vormgegeven, maar was na tien jaar geheel verouderd en er moest een nieuwe komen. De oude site is als ´museum´ nog steeds toegankelijk op deze site. Ik schrijf een wekelijke blog over prostaatkanker op deze site, schrijf dagelijks een stukje voor www.joop.nl en wekelijks nog een voor www.welingelichtekringen.nl. Verder twitter ikveel en ben bezig op Facebook.

 

 

 

 

Kanker
Mijn roman ‘Het geheim van de man’ verscheen in maart 2003. Ik wilde graag nog een roman schrijven. Ik hadhem in mijn hoofd, maar bleek er nooit tijd voor te hebben. Er kwam iets tussen.
Een paar weken nadat ik hoorde dat ik kanker had (kerst 2002), ben ik begonnen met het schrijven van een weekboek op deze site. Elke zaterdagochtend zet ik dat weekboek op mijn website en het is net of ik daarmee het proces in mijn lichaam een beetje onder controle houd. Ik maak er gewoon literatuur van en daarmee ben ik de baas.In 2004 verscheen het boek Walvis spelen. In 2006 verscheen Heimwee naar de lust en in 2008 Onweer in de verte. Het is gebaseerd op die weekboeken.


Daarnaast word ik nog steeds geplaagd door duizend invallen en plannen. Er is nog zo veel dat geschreven moet worden, maar ik besef dat de tijd die me rest steeds minder wordt. Ik ben op een moment in mijn leven gekomen dat ik misschien eindelijk echt moet kiezen. Ik ben echter nog altijd zo gretig als een zestienjarige als iemand me voor iets nieuws vraagt, maar ik kan niet ontkennen dat ik soms moe wordt van alle drukte en alle verplichtingen die telkens aanga. Ik wil meer schrijven en het wonderlijke is dat ik, nu er zo’n miljoen boeken van me verkocht zijn, nog altijd denk dat ik mijn belangrijkste boek nog moet maken.

Daarom maak ik bijna geen verre reizen meer, maak ik niet elke twee jaar meer een nieuwe editie van Medicijnen en ben bij de universiteit met vervroegd pensioen gegaan.

In 2005 kreeg ik de Van Walree prijs van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het leven gaat door

Omdat ik vanwege de prostaatkanker besefte dat ik in topconditie moet zijn om het leven zo lang mogelijk te rekken, heb ik onderzocht hoe ik het vet waarin de hormonen die de kanker aanjagen zich verschuilen kan beperken. Zoals alles wat ik ontdek, wil ik vervolgens die kennis graag delen. Daaruit is Het dikke afvalboek en een jaar later Het gezonde afvalboek voortgekomen. In 2011 verscheen bij uitgeverij Nieuw Amsterdam het boek Gezond, dat ik als mijn magnum opus beschouw omdat ik alles wat ik wil vertellen over gezondheid daar een plaatsje in heb kunnen geven. Als een praktische gids voor hoe je dan wel gezond kunt leven verscheen in 2013 ´Het gezonde lifestyleboek´.

Samen met Marion maakte ik het boek ´Het Bali van Bloem´, dat in 2012 bij uitrgeverij de Arbeiderspers verscheen. Zij schreef de verhalen ik maakte de foto´s. Wat had ik veel foto´s van dat eiland en van zoveel andere landen ook. Ik begon ze te plaatsen op Facebook en kreeg prachtige reacties. Er kwamen exposities en mensen wilden foto´s van me kopen. Omdat 2012 Marion´s zestigste levensjaar was begon ik op 1 januari van dat jaar elke dag een foto van Marion op FB te plaatsen. Dit spontaan begonnen project resulteerde uiteindelijk in het fotoboek Reisgezel, dat in 2012 bij uitgeverij Komma verscheen.

Ik denk dat ik nog wel een mooi boek in me heb en ik ben nog niet uitgefotografeerd. Zodoende ben ik ondanks het feit dat ik met een deel van mijn werkzaamheden gestopt ben, drukker dan ooit. En als het me vergund is, dan ben ik nog wel even bezig voor ik klaar ben.

In 2009 werden zowel Marion als ik bevorderd tot Officier in de orde van Oranje Nassau. We waren erg verrast, hadden geen benul van onderscheidingen, van het verschil tussen ordes en rangen, maar vonden het toen het gebeurde erg prettig. Het mooiste was dat we hem samen ontvingen.