Op vaste dagen geef ik de planten water, maar recentelijk is dat er verschillende keren bij ingeschoten, zoals ik ook regelmatig vergeet de krant en de post uit de brievenbus te halen. Vandaag heb ik het groen in huis weer voorzien van een flinke plens, voldoende om het tot volgende week te redden. Waarom sla ik het wel eens over?
Verreweg het grootste deel van de dag zit ik in mijn werkkamer, maar als ik me toevallig op maandag of dinsdag in de zitkamer en in de buurt van de planten bevind, denk ik ‘Goh, die hebben flink wat te drinken nodig. Nou ja ze moeten maar even wachten tot het hun dag weer is.’ Zelfs de toename van bruine bladen doet me niet veranderen van plan, want ik wil gewoon snel terug naar de plek waar ik mijn woorden kan gebruiken om de wereld te decoderen en begrijpelijk te maken in de morsetekens van schrijvers.
Vandaag plukte ik de lelijke bladeren weg om de planten weer wat gevoel van trots te geven. Het was meer geel dan groen. Maar daardoor zag ik dat de planten een stuk minder vol waren geworden. Een kerstboom zonder versiering en de naalden op de vloer, als en overspelige man die betrapt is. Mijn lichaam wordt net als de planten ook al maar dunner, en mijn bewegingen trager en pijnlijker. Van dat laatste hebben die planten weer niet zo veel last.
Vannacht moest ik naar het toilet, maar zag op tegen het moment op te staan en probeerde de plas op te houden. Ik wreef over mijn bovenbenen alsof dat de hendels zijn waarmee je de blaasuitgang dicht kunt draaien en voelde het bovenbeenbot eenzaam onder de huid liggen. Zijn vrienden uit spierenland waren grotendeels verdwenen. Een plant zonder water. Gelukkig heb ik geen bladeren.
Toch gaat het erg goed met me en ik klaag uit principe niet. Je maakt je eigen leven er niet leuker mee. Trouwens dat van anderen ook niet. Toch gaat dat in tegen de nationale interesse in het levenseinde. Je mag wel zeggen dat sterven erg in de mode is. Er zijn steeds meer boeken en televisieprogramma’s van en over mensen die de dood in de ogen kijken. Zo formuleert men dat, hoewel het een beroerde metafoor is, want gelukkig heeft de dood geen ogen. Daar zou ik wel bang door worden. Wie staart mij daar zo aan? O, dat is de dood. Nou kun je dan zeggen dat hij eerste even ergens anders naartoe gaat. Ik moet nog een paar boeken afmaken en die gaan over het leven.
Het zijn niet alleen de zwaarmoedige zielen zelf die in de schaduw van de dood zich de hersenen afpijnigen waarom ze, als ze toch dood moeten gaan, ze in hemelsnaam hier op aarde zijn terechtgekomen. Ook de professionals die ons aan het begin van ons leven uit de baarmoeder opvangen en in de wieg leggen en die ons aan het einde van ons bestaan op aarde nog wat opmonterende woorden toefluisteren of de kraan uitdraaien, leveren hun bijdragen aan de behoefte aan verhalen over de dood en beschrijven hun heroïsche werk.
De dood, die komt vanzelf, maar bestaat niet om het leven zin te geven. Het feit dat wij kunnen denken betekent dat we alles wat we gedurende ons leven doen en laten, en alles wat we lezen, zien, horen en verzwijgen is bedoeld om de schoonheid van het leven, van de natuur, van de liefde, van de lust, van de hoop te bezingen en van betekenis te voorzien. Aan het einde van ons leven hebben we dan een kunstwerk van ons bestaan gemaakt, de een bescheiden, de ander pompeus. En de dood is het eindsignaal. Pfffffft, het fluitje, de gong van de laatste ronde. Het is nu afgelopen. Wie er dan nog aan moet beginnen is gewoon te laat…
Ief, weer een indringend stukje. Doet mijn ogen branden. Ben zo trots op jou. Liefs Lex
Ja, hier herken ik me in. Dank Ivan. Nu weer verder met m’n kunstwerk!
Wat wordt hier uitmuntend beschreven, wat ikzelf moet ervaren. Als terminaal kanker patiënt, moet ik maar doorstaan dat elk zich met mij bemoeit, zonder de broodnodige existentiële support aan te reiken. Het is: die ziet er nog goed uit en mankeert niks. Hij lacht naar mij, hem mankeert niks. Wat weet men van de nachten met plasgedoe? Van moeheid, misselijk zijn, operaties, opvliegers, afvallen en de allerlaatste gedachten? Wat weet men van die gedachten, die betrekking hebben op de dood? Wie leest mijn eindrapport van mijn ziekenhuis? Daarin staat dat ik nog drie maanden te leven heb. In mijn agenda noteer ik vaak: mijn God, waartoe ben ik op aarde? Dan hoeft het klagen weer niet, want het staat er weer eens.
Ik wil de dood binnenlaten. Die staat met zijn magere hand op de deurbel te drukken en hij drukt er doorlopend vaker op. In mijn situatie domineert de overweging om de dood daarbij dan maar hulp te bieden door euthanasie, de finale en doorlopend mislukkende ramp. Euthanasie met toeters en bellen dus. De behandelkraan wordt dichtgedraaid en verder mag ik alles regelen. Zit er nog een boek in voor mij? Dat was best mogelijk geweest, maar ik verzorg mijn terminale partner met kanker en dwarslaesie elke dag vijf urenlang in het ziekenhuis. Ik ben dus al te laat. Aan mezelf ligt het niet. Ik heb de media toegeschreeuwd dat ik als terminaal patiënt een andere terminale patiënt verpleeg. Het maakt geen indruk. En gek genoeg! Als ik naar mijn kankerziekenhuis ga of naar mijn dodelijk getroffen echtgenoot, dan pluk ik haastig de dode bladeren van de Geraniums op de vensterbanken. Wat hebben wij dan veel gemeenschappelijk. Het troost om daarover te mogen lezen. Een medepatiënt, met wie ik al deze zaken bespreek, zond mij dit aanklikadres. Een goed begin van deze zware dag.