Ik bekijk oude foto’s en vraag of de mensen die erop staan nog dezelfde zijn. Natuurlijk niet. Op de naam na zijn we volledig veranderd. Hoe zijn we zo ver gekomen? We hebben maar wat geprobeerd en de plannen veel later gemaakt, op het moment dat we al bijna op onze bestemming waren gekomen. We wisten niets, maar leerden door altijd de zelfde bewegingen te maken onze spieren te gebruiken, door veel te kijken ook te zien en door veel te praten ons uit te drukken en kregen als geschenk daarbij de woorden. Ze troosten en geven inzicht, maar ze kunnen ook misleidend zijn. We waren jong en hadden geen idee waar we terecht zouden komen. Ons kon niets gebeuren, maar nu moeten we beslissingen nemen over wel of niet de chemo en wanneer het genoeg is geweest. We hebben nooit een kans gehad om dat te leren.

Ooit schreef ik over de dood zonder dat ik er verstand van had, maar dat mag. Schrijven is niet alleen verslag doen, maar ook een onderzoek van het onbekende, waarbij we met woorden de randen van ons leven aftasten om er iets van te begrijpen. Ik was dertig denk ik en ik had het nodig om te snappen waarom mijn vader was heengegaan. Het waren columns in de Volkskrant en toen die gebundeld werden noemde ik het boek ‘Een eindje meelopen’. Veel meer dan dat kunnen degenen die blijven leven niet. Zij die achter blijven kunnen mee tot het randje, maar wie sterft zal dat uiteindelijk alleen moeten doen, de anderen kijken toe.

En de dokter? Ik schreef in die tijd meedogenloos over artsen die hun patiënten niets vertelden, lieten zwerven in het niemandsland tussen weten en niet weten en beweerden dat het beter was als ze het niet wisten. Ik was coassistent en herinner me mijnheer Klomp nog, fietsenmaker in Utrecht, die niet lang meer had en schreef een verhaal over hem. Nog levendig zie ik voor me hoe de zaalarts joviaal op ongemakkelijk vrolijke toon iets te luid vroeg ‘Alles goed vandaag?’ en mijnheer Klomp bedrukt antwoordde ‘Ja hoor’, maar er was niets goed en dat zou het ook nooit meer worden. Naar huis zou de fietsenmaker niet meer gaan. Thuis sterven aan kanker was in die tijd iets moderns. En als de arts inschatte dat het nog een tijdje zou duren mocht de patiënt naar huis om weer terug te komen als het einde vlakbij was. Doodgaan hoorde in het ziekenhuis te gebeuren. Menigeen overleed zonder ooit te hebben begrepen dat het door de kanker in het lijf kwam. ‘K’ zei men en het begrip uitzaaiingen kende slechts een enkeling.

Hoe anders is het nu. In plaats van het grote doodzwijgen is het ‘slecht nieuws gesprek’ gekomen. Artsen worden daartoe opgeleid en proberen zo goed als ze kunnen te schetsen hoe het gesteld is met het gezwel en welke vooruitzichten er nog zijn. In wezen is het nog steeds moeilijk, want oog in oog met een mens die verlangt te horen dat de behandeling aanslaat of dat er nog een experimenteel medicijn is waar ze misschien voor in aanmerking komen, is eerlijk zijn niet eenvoudig. Wat valt er nog te zeggen als er geen uitweg meer is? Het zien van de hoop in de ogen van een ander maakt het onmogelijk die kapot te maken. Wie heeft een arts het recht gegeven om de essentie van al onze motivatie – de hoop dat na het lijden het weer beter wordt – af te pakken? Hoe vind je de tussenweg tussen waarheid en hoop? Artsen zoeken naar woorden om de boodschap te verzachten en zelfs de beste artsen zeggen als de patiënt vraagt ‘Wordt dit mijn laatste kerst?’ ‘Ben jij nu gek, we zijn nog lang niet niet klaar met jou hoor’.

Wat moet een arts zeggen om zelf een enigszins goed gevoel over te houden aan dat moeilijke gesprek? Heeft hij nog zalf die op de wonde gesmeerd kan worden? Ik vraag het niet voor mezelf, maar voor de patiënten die ik ken en op dat punt van hun leven zijn gekomen. We weten dat artsen als alles geprobeerd is en alleen een wonder nog redding kan brengen toch, ook al weten ze dat het geen zin meer heeft, in 80 procent van de gevallen de chemokuur aanbieden, maar dat ze in slechts 20 procent van de situaties waarin ze er zelf voor komen te staan aan de chemo gaan. Misschien geeft die constatering het antwoord wel.

‘We zouden nog een chemo kunnen doen’, en de percentages over de kans van slagen door die behandeling zijn abstracte tekens die mede betekenis krijgen wat je bedoelt met ‘slagen’ en wat je ervoor in moet leveren, maar vooral hoeveel hoop iemand nog heeft.

Pas zei iemand me dat een arts toch geen valse hoop mag geven, maar valse hoop bestaat niet voor iemand met terminale kanker. Hoop is absoluut en wie de hoop opgeeft geeft alles op. Voor de arts is het misschien het doel van het gesprek geweest, want de patiënt is nu uit de ontkennende fase.